Ioniserende straling
Ioniserende straling
Ioniserende straling kun je niet zien, horen, ruiken, proeven en voelen. Zij is echter wel in onze omgeving aanwezig en is in staat biologische effecten te veroorzaken. In de medische wereld wordt straling gebruikt om in de mens te kunnen kijken (diagnostiek). Ioniserende straling wordt ook gebruikt om cellen te doden (therapie). Er bestaat ook niet-ioniserende straling zoals laser, infrarood, radar en microgolven. Deze wordt hier niet behandeld. In deze brochure wordt met “straling” ioniserende straling bedoeld.
Röntgenstraling
In november 1895 ontdekte W.C. Röntgen een tot dan
onbekend soort straling. Deze straling werd kunstmatig met een toestel
opgewekt. In kranten was te lezen dat Röntgen met deze straling
“onzichtbare” dingen kon fotograferen. Met onzichtbare dingen bedoelden de
journalisten bijvoorbeeld de botten in een hand. Met name de medische
wereld was geïnteresseerd in deze nieuwe straling omdat men hiermee het
inwendige van de mens kon bekijken zonder hem open te snijden. Het duurde
dan ook niet lang voordat de eerste medische toepassingen plaatsvonden. In
januari 1896 gebruikte men deze straling voor het zichtbaar maken van een
schot hagel in de hand van een jager. Zelf noemde Röntgen zijn ontdekking
“X-ray”. In Nederland noemen we dit tegenwoordig röntgenstraling. In
Engelse literatuur kom je nog vaak de term X-ray tegen.
Radioactiviteit
Aan het einde van de 19e eeuw ontdekten onderzoekers behalve de
röntgenstraling, nog andere soorten ioniserende straling. Henri Becquerel
vond stoffen die, net als röntgenstraling, in staat waren “onzichtbare”
dingen te fotograferen. Aangezien hij op de hoogte was van de ontdekking
van W.C. Röntgen, schreef hij het verschijnsel toe aan straling die door
deze stoffen werd uitgezonden. Marie Curie toonde, samen met haar man
Pierre, aan dat diverse stoffen verschillende soorten straling uitzonden.
Deze stralingssoorten kregen, in volgorde van hun ontdekking, de namen van
de letters van het Griekse alfabet (alfa-, beta- en gammastraling). Marie
Curie noemde stoffen die straling uitzenden “radioactieve stoffen”.
Radium, een van de radioactieve stoffen die door het echtpaar Curie werd ontdekt, veroorzaakte het eerste zichtbare biologische effect van straling. Doordat Pierre Curie een hoeveelheid radium op zijn huid legde, liep hij ernstige, op brandwonden lijkende, verwondingen op. Na de eerste constatering van een biologische effect van ioniserende straling duurde het niet lang voordat radioactieve stoffen werden toegepast bij de behandeling van kanker.
Ioniserende Straling
De door radioactieve stoffen uitgezonden straling wordt in de volksmond en
door de pers vaak “radioactieve straling” genoemd. Dit is echter een
onjuiste benaming omdat de straling die wordt uitgezonden niet radioactief
is, maar een gevolg is van radioactief verval van stoffen. Om aan te geven
dat deze stralingssoort zich onderscheidt van andere vormen van straling,
zoals bijvoorbeeld licht en warmte, wordt de door radioactieve stoffen
uitgezonden straling ioniserende straling genoemd. Deze straling heeft zijn
naam dus te danken aan het feit dat ze ionisaties in materialen
veroorzaakt. Ionisatie wil zeggen dat de straling zoveel energie aan een
elektron van een atoom overdraagt, dat het elektron uit het atoom loskomt.
Er blijft vervolgens een atoom over dat één elektron te weinig heeft. Een
dergelijk atoom is geïoniseerd. Aangezien röntgenstraling ook ionisaties
veroorzaakt, hoort deze stralingssoort eveneens bij de groep van
ioniserende straling.
|
Intermezzo (radioactief
verval) Alle materie bestaat uit atomen. Een gemiddeld mens bestaat uit miljarden atomen zuurstof, koolstof, waterstof, stikstof en andere elementen. Een atoom bestaat uit een positief geladen kern met daaromheen draaiend negatief geladen elektronen. De kern is een soort harde pit en bevat protonen en neutronen. Alle atoomsoorten met eenzelfde aantal protonen behoren tot één element (bijvoorbeeld koolstof). Als meer algemene benaming voor atoomsoort wordt het woord nuclide gebruikt. Een nuclide wordt weergegeven door de naam van het element plus het aantal aanwezige protonen en neutronen (bv. koolstof-12 en koolstof-14, zijn verschillende nucliden van hetzelfde element. Er zitten namelijk in beide gevallen 6 protonen in de kern, maar in het ene geval 6 neutronen en in het andere geval 8 neutronen). In een stabiele atoomkern zijn de protonen en neutronen zo sterk gebonden, dat zij op hun plaats blijven zitten. Bij radioactieve atoomsoorten, radionucliden, is deze binding niet zo sterk, waardoor deze kern vroeg of laat een verandering ondergaat en straling uitzendt. Deze straling kan een proton of een neutron zijn maar ook bijvoorbeeld elektromagnetische straling (een pakketje energie). Er kan zelfs een elektron worden gemaakt dat vervolgens wordt uitgestoten. De verandering van een niet-stabiele atoomkern noemt men radioactief verval. |
Halveringstijd
Radioactieve stoffen zenden straling uit totdat alle instabiele kernen
stabiel zijn geworden. De afname van het aantal instabiele kernen per
tijdseenheid noemen we de radioactiviteit van de stof. Naarmate er steeds
meer atoomkernen stabiel zijn geworden, en er dus minder instabiele kernen
overblijven, zal de stof steeds minder radioactief zijn. Elke
radioactieve stof heeft een vaste tijd waarna de radioactiviteit nog maar
de helft is van de beginwaarde. Deze vaste tijd wordt de halveringstijd
(T½) genoemd.
Na het verstrijken van één halveringstijd is de radioactiviteit
gehalveerd. Na het verstrijken van twee halveringstijden is de
radioactiviteit de helft van de helft, dus nog maar een kwart (1/4) van de
beginwaarde. Na drie halveringstijden resteert, de helft van de helft van
de helft = 1/8. De halveringstijd is uniek, heeft een vaste waarde en is
afhankelijk van de radioactieve stof. Er bestaan radioactieve stoffen met
een hele korte halveringstijd (minder dan een duizendste van een seconde)
maar ook met een hele lange halveringstijd (miljarden jaren).
Achtergrondstraling
Hoewel straling pas zo’n honderd jaar geleden werd ontdekt, is er
sinds het ontstaan van de aarde straling aanwezig. Straling bereikt ons
vanuit het heelal en uit de aardkorst. Veel radionucliden die van nature in
de aardkorst voorkomen zijn afkomstig van de stoffen uranium en thorium.
Kalium-40 is ook zo’n stof die van nature op aarde aanwezig is. Via het
voedsel komt een hoeveelheid radioactiviteit (voornamelijk kalium-40) in
ons lichaam terecht. Naast de straling uit het heelal, de aarde en ons
voedsel, komt er ook straling vrij uit onze huizen als gevolg van
radioactieve stoffen in bouwmaterialen. Deze altijd aanwezige straling
wordt achtergrondstraling genoemd. Als gevolg van achtergrondstraling is de
gemiddelde stralingsdosis van een inwoner van Nederland ongeveer 1,4
millisievert in een jaar. Millisievert (afgekort als mSv) is de maat waarin
de stralingsdosis van mensen wordt uitgedrukt. In andere landen kan door de
aanwezigheid van meer radioactieve stoffen in de aardkorst de jaarlijkse
stralingsdosis hoger zijn dan in Nederland. Verblijf op grotere hoogte
zorgt ook voor een hogere stralingsdosis dan op zeeniveau. Dit komt door
een grotere bijdrage van de straling vanuit het heelal. De stralingsdosis
van een Nederlander zal bij een tweewekelijkse skivakantie toenemen met
0,02 mSv. Een zelfde extra stralingsdosis wordt ook ontvangen bij een
enkele uren durende vlucht op 10 km hoogte.
|
Intermezzo
(stralingsdosis) Als we het over stralingsdosis hebben is het belangrijk te weten met welke stralingssoort we te maken hebben. Zolang dit niet bekend is wordt de dosis uitgedrukt in gray, afgekort tot Gy. Omdat de ene stralingssoort bij eenzelfde stralingsdosis meer schade veroorzaakt dan de andere soort wordt hiervoor een zogenaamde correctiefactor ingevoerd. Hierdoor kunnen alle stralingssoorten direct met elkaar worden vergeleken. We spreken dan over effectieve dosis, deze heeft de eenheid sievert (Sv). Achtergrondstraling en dosislimieten worden uitgedrukt in millisievert (mSv). De meest gebruikte stralingssoorten (beta-straling, gammastraling en röntgenstraling) hebben een vergelijkbare effectiviteit. |
Biologisch effecten van straling
Wanneer ioniserende straling levend weefsel treft kan dit, door
ionisaties, biologische effecten tot gevolg hebben. De eerste biologische
effecten die door Pierre Curie werden ondervonden, volgden direct na de
bestraling. Niet lang nadat de huid was bestraald ontstond er een soort
brandwond. Later bleek dat straling ook nog effecten kan veroorzaken lang
nadat de bestraling heeft plaatsgevonden. Marie Curie overleed op 67–jarige
leeftijd aan één van de late effecten, leukemie.
De Curies en andere stralingspioniers waren niet op de hoogte
van de risico’s van hun vak. Tegenwoordig is de kennis van de biologische
stralingseffecten echter sterk uitgebreid en weten we dat directe effecten
alleen optreden nadat een zekere drempeldosis is overschreden. Wordt de
drempeldosis niet overschreden dan treedt het effect niet op. Nadat de
drempeldosis wel is overschreden zal het effect erger worden naarmate de
dosis toeneemt.
Behalve directe effecten kunnen ook nog late, kansgebonden effecten, zoals
leukemie en kanker, optreden. Deze kunnen optreden bij lage doses, zodat
het risico niet nul is als men onder de drempeldosis blijft. Bij de
kansgebonden effecten geldt dat niet de ernst van het effect, maar de kans
op het optreden van het effect toeneemt bij toenemende dosis. De extra kans
op sterfte door kanker door blootstelling aan straling wordt geschat op
circa 5 % per 1000 mSv. Voor de totale Nederlandse bevolking zou dit
rekenkundig jaarlijks neerkomen op 1100 sterfgevallen door kanker als
gevolg van natuurlijke achtergrondstraling (het totaal aantal sterfgevallen
door kanker bedraagt in Nederland jaarlijks ruim 37000). Het aantal
sterfgevallen als gevolg van achtergrondstraling is echter niet meer dan
een schatting. De kansgebonden effecten zijn namelijk wel bij hoge maar
niet bij lage doses wetenschappelijk aangetoond. Het aantal sterfgevallen
zou dus ook lager kunnen zijn. Zolang hierover echter geen zekerheid
bestaat, wordt er veiligheidshalve vanuit gegaan dat kansgebonden effecten
geen drempeldosis hebben en dat elke toename van de dosis in principe de
kans op kanker verhoogt.
Directe effecten die kunnen optreden als het gehele lichaam wordt blootgesteld aan straling waarbij de dosis groter is dan de drempeldosis zijn in de tabel vermeld.
|
(mGy) |
Direct effecten die optreden bij bestraling van het gehele lichaam. |
| 0-200 | Geen effecten. |
| 200-1.000 | Geen ziekteverschijnselen; vermindering van het aantal witte bloedlichaampjes. |
| 1.000-2.000 | Verminderde weerstand, vermoeidheid, braken, diaree. Herstel na enkele weken. |
| 2.000-3.000 | Ernstige stralingsziekte als gevolg van beschadiging van beenmerg en lymfeklieren. |
| 3.000-4.000 | Ernstige stralingsziekte. De sterfte is zonder therapie meer dan 50 %. |
| 4.000-10.000 | Beenmergsyndroom. In nagenoeg alle gevallen treedt sterfte op binnen een maand. |
| 10.000-50.000 | Maag-darmsyndroom. Sterfte binnen een week. |
| > 50.000 | Centraal-zenuwstelselsyndroom. Sterfte binnen enkele uren tot dagen. |
In de dagelijkse praktijk komt bestraling van het gehele lichaam niet vaak voor. Zowel bij diagnostiek, therapie als bij handelingen met stralingsbronnen en bij incidenten wordt meestal slechts een deel van het lichaam bestraald, waardoor de eventuele directe stralingsschade beperkt blijft tot het bestraalde deel van het lichaam.