Soorten hersentumoren
Typering van tumoren.
Twee types
Gliomen worden onderscheiden in twee types. De typering hangt samen met het type bindweefsel van waaruit de tumor groeit. Tumoren die afkomstig zijn uit de astrocyten noemt men astrocytomen, degene die groeien uit de oligodendrocyten heten oligodendrogliomen. Er zijn ook gliomen met kenmerken van beide celtypen, oligo-astrocytomen genoemd.
Gliomen worden op grond van eigenschappen die de patholoog-anatoom met behulp van de microscoop ziet ingedeeld in vier graderingen. Deze kenmerken bestaan uit celdichtheid, verschil in celkerngrootte, verdikking van bloedvaten, veel celdelingen en gebieden van weefselverval. Hoe meer van deze kenmerken gezien worden hoe hoger de gradering van het glioom.
De gradering heeft een schaal van 1 tot 4.
- Graad I. Hierbij is sprake van tumor die zich vrijwel zo gedraagt als normaal hersenweefsel. Deze diagnose wordt in de praktijk vrijwel nooit afgegeven.
- Graad II. Hierbij is in elk geval sprake van toegenomen groei van de glia, echter zonder dat er kenmerken van kwaadaardigheid worden gezien. Bij graad I en graad II spreekt men van een laaggradig glioom.
- Graad III. Bij deze gradering worden kenmerken van kwaadaardigheid gezien zoals een verandering van de celkernen en toename van de groei van de bloedvaten.
- Graad IV. Bij dit type is er duidelijk sprake van een ongeremd groeiende tumor, die zo snel groeit dat de bloedvaten het niet meer kunnen bijhouden en er weefselverval ontstaat. Bij graad III en IV spreekt men daarom van een hooggradig glioom.
De bovengenoemde gradering zegt niet altijd alles over het biologisch gedrag van een tumor bij een individuele patiënt. Dat betekent dat een tumor met een hogere graad soms toch minder snel terug komt dan je op grond van het microscopisch beeld zou verwachten. Laaggradige tumoren kunnen op den duur vaak ontaarden in een hogere gradering, zodat op dat moment voor een ander beleid kan worden gekozen. Naast de bovengenoemde meest gangbare een eenvoudige indeling komen er nog andere vormen van primaire hersentumoren voor. Deze worden o.a. ook behandeld in de tekst over bijzondere- en kindertumoren.
Wanneer bij een hersentumor gesproken wordt van kwaadaardigheid, dient men zich te realiseren dat dit een ander soort van kwaadaardigheid is dan wordt gezien bij andere gezwellen in het lichaam: een hersentumor groeit niet door bestaande barrières en zaait ook vrijwel nooit uit. De kwaadaardigheid zit hem in het feit dat een hersentumor bijna altijd weer terugkomt (een hele enkele uitzondering daargelaten) en daarnaast leidt tot aantasting van het hersenweefsel waardoor uitval van functies.