... / ... / ... / Radioactiviteit / Veiligheidsmaatregelen

Veiligheidsmaatregelen

Hoe wordt de veiligheid gewaarborgd?


Biologische effecten van straling kunnen ontstaan wanneer ioniserende straling levend weefsel treft. Zo veroorzaakte het radium, dat Pierre Curie op zijn huid legde, ernstige op brandwonden lijkende, verwondingen. Later bleek dat straling, behalve directe effecten óók nog late effecten kan veroorzaken. De stralingspioniers waren niet op de hoogte van de risico’s van hun vak. Tegenwoordig is de kennis van de biologische stralingseffecten echter sterk uitgebreid.

De gevolgen van blootstelling aan straling is ook sterk afhankelijk van welke lichaamsdelen of organen feitelijk worden bestraald, dit alles is verwerkt in het begrip effectieve dosis. Als maat voor deze effectieve dosis wordt gebruik gemaakt van de millisievert (mSv).

Blootstelling aan zeer hoge doses straling kan ernstige stralingsziekte veroorzaken en is in het uiterste geval zelfs dodelijk. We hebben het dan wel over zeer hoge stralingsdoses (vele duizenden millisievert) die aanzienlijk groter zijn dan duizend maal de natuurlijke jaardosis welke wij ontvangen uit de ons omringende natuur (o.a. kosmische straling en radioactieve straling uit de aardbodem). We hebben het dan in feite over stralingsongevallen.

Voor lage stralingsdoses, en zeker voor extreem lage doses beneden enkele millisievert, bestaat er geen wetenschappelijk bewijs dat straling gezondheidsschade bij de mens veroorzaakt. Echter er bestaat ook géén bewijs dat kanker en/of erfelijke effecten niet kunnen optreden. Het is juist vanwege deze vele onzekerheden dat stralingsbescherming tot doel heeft om het aantal mensen dat aan straling wordt blootgesteld, zo gering mogelijk te houden en bovendien te zorgen dat de blootstelling aan straling voor elk individu zo laag mogelijk blijft als redelijkerwijs haalbaar.


Bescherming tegen straling
wordt verkregen door: afscherming, afstand, tijd en hygiëne.


Afscherming
Een middel om de ioniserende straling te verzwakken is afscherming. De bekendste afschermingsmaterialen voor gamma- en röntgenstraling zijn lood en beton. Dit zijn echter niet de enige materialen die geschikt zijn om straling te verzwakken. Anderhalve centimeter perspex is vaak al voldoende om bètastraling volledig tegen te houden, terwijl alfastraling niet eens in staat is door een stuk papier heen te dringen. Als het om praktische redenen niet mogelijk is de stralingsbron af te schermen, kan het personeel zich, bij toepassing van röntgenstraling, tegen de straling beschermen door een loodschort te dragen. Bij de nucleaire geneeskunde is dat in de praktijk minder zinvol omdat de stralingsenergie doorgaans veel hoger is dan bij röntgenstraling en dientengevolge voor een belangrijk deel door het loodschort doorgelaten wordt. Zwaardere loodschorten zijn weer onhanteerbaar. Wel wordt de radioactieve stof zoveel mogelijk afgeschermd bijvoorbeeld door gebruik te maken van loden potjes en door een loodhuls om de injectiespuit te doen.

  
Afstand
De stralingsdosis kan ook worden beperkt door een zo groot mogelijke afstand tot de radioactieve bron te bewaren. Vergelijk dit bijvoorbeeld met het maken van een flitsfoto in een grote ruimte. Naarmate de afstand van het te fotograferen object verder van de flitslamp af staat, valt er minder licht op. Deze belichting neemt kwadratisch af met de afstand. Zo is het ook bij de straling vanuit radioactieve bronnen. Wordt de afstand tot de radioactieve bron drie maal zo groot dan wordt de stralingsintensiteit dus 32 = 9 maal zo klein.

Ook bij het hanteren van radioactieve stoffen kan het best gebruik gemaakt worden van hulpgereedschappen, zoals pincetten en tangen,  om de afstand te vergroten


Tijd
Een kortere blootstelling aan een stralingsbron veroorzaakt een lagere dosis dan een langere blootstelling. Bij het werken met stralingsbronnen is het dus belangrijk dat de handelingen snel, maar niet gehaast, worden uitgevoerd. Bij inwendige bestraling, zoals gebeurt bij de onderzoeken op de nucleaire geneeskunde, stopt de bestraling pas wanneer de radioactieve stoffen het lichaam hebben verlaten. Het is daarom dat men hier kiest voor radionucliden met een korte halveringstijd en stoffen die door hun biochemische eigenschappen het lichaam weer snel verlaten.


Hygiëne
Bij het werken met zogenoemde ‘open’ radioactieve stoffen kan onbedoeld radioactief materiaal in het lichaam terecht komen (inwendige besmetting). De inwendige besmetting kan het gevolg zijn van opname via de mond (inslikken), via de huid (wondje) of via de longen (inademen). Belangrijk is het dus om tijdens werkzaamheden op juiste wijze handschoenen te dragen, handen te wassen voor het eten enz. Ook dienen werkzaamheden met radioactieve stoffen zo veel mogelijk in een zuurkast te worden uitgevoerd, waar nagenoeg alle, in de lucht vrijgekomen radioactiviteit wordt afgezogen.

De twee regels van stralingsbescherming zijn dus:
1) Vermijd langdurige, nabije aanwezigheid bij een stralingsbron
2) Betracht een zorgvuldige toilethygiëne (is vanzelfsprekend)

Symbool van radioactiviteit
Als waarschuwing voor de aanwezigheid van straling kunnen diverse signaleringen worden toegepast, Eén van deze signaleringen is het symbool van radioactiviteit. Dit symbool is aanwezig bij de ingang van ruimtes waar radioactieve bronnen aanwezig zijn of waar radioactieve straling aanwezig kàn zijn. De toegang tot deze ruimte is verboden, tenzij een bevoegd persoon toestemming heeft gegeven de ruimte te betreden.

 

Wetgeving
De overheid heeft een stelsel van wettelijke regels opgesteld: de “Kernenergiewet”. Volgens deze wet is het verboden stralingsbronnen voorhanden te hebben, toe te passen en zich ervan te ontdoen, tenzij daarvoor een vergunning is verleend. Tevens is het gebruik van radioactieve stoffen en ioniserende stralen uitzendende toestellen wettelijk geregeld in het “Besluit Stralingsbescherming”. Hierbij geldt dat elke handeling, die blootstelling aan ioniserende straling met zich meebrengt, alleen mag plaatsvinden als zij nut heeft en als zij zo wordt uitgevoerd dat de dosis zo laag mogelijk is.

Eén van de regels, die zijn ingesteld, zijn de dosislimieten.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen personen die beroepsmatig met stralingsbronnen werken (radiologisch werkers) en de rest van de bevolking. Radiologisch werkers zijn niet alleen mensen die in een kernreactor of ziekenhuishuis werken, ook stewardessen, piloten en tandartsen behoren tot deze groep. De limiet voor radiologisch werkers bedraagt 20 mSv per jaar boven de achtergrondstraling (ca. 2 mSv / jaar). Voor de rest van de bevolking geldt een dosislimiet van 1 mSv per jaar boven de achtergrond. Voor medische blootstelling (bij patiënten) gelden geen dosislimieten omdat de blootstelling aan straling in het directe voordeel van de patiënt is. Dosislimieten voor patiënten zouden tot de ongewenste situatie kunnen leiden dat een behandeling voortijdig moet worden gestaakt vanwege het bereiken van de dosislimiet.


Stralingsdoses van radiologisch werkers worden geregistreerd met behulp van persoonsdosimeters. Radiologisch werkers dragen deze dosimeters tijdens hun werkzaamheden op het lichaam. Na een periode van twee of vier weken wordt de effectieve dosis over die periode bepaald. De gemiddelde jaardosis van radiologisch werkers op de afdeling nucleaire geneeskunde van het Erasmus MC is ongeveer 1,0 mSv  boven de achtergrondstraling.

Als gevolg van de altijd aanwezige achtergrondstraling ontvangt de gemiddelde Nederlander een effectieve jaardosis van ongeveer 2 mSv. Er zijn echter streken in de wereld bekend waar de uitwendige dosis door aardstraling aanzienlijk (soms wel 10x ) hoger ligt.


 

 

 

 

     

 

             

 

    

 

 

 

<< terug naar overzicht