target menu
... / ... / ... / Straling / Straling Nucleaire Geneeskunde
 

Straling Nucleaire Geneeskunde

Radioactiviteit Nucleaire Geneeskunde


1.1 Wat is radioactiviteit?
Alle materie is opgebouwd uit atomen. Een atoom werd lange tijd voorgesteld als een deeltje dat ondeelbaar was en bij alle chemische en fysische veranderingen zijn identiteit bewaarde (het Griekse a-tomos betekent on-deelbaar). Een stof noemen we een element wanneer deze stof uit allemaal gelijke atomen bestaat. Zo kennen we meer dan honderd verschillende elementen (voorbeelden hiervan zijn waterstof, stikstof, natrium, koper, goud en lood). 
NG1                                                          
Aan het eind van de 19e eeuw ontdekte Henri Becquerel dat zouten van het element uraan (uranium) stralen uitzenden, die een fotografische plaat zwart kunnen maken.  Marie en Pierre Curie noemden dit verschijnsel radioactiviteit.
Tegenwoordig weten we dat een atoom is opgebouwd uit een zware, kleine, elektrisch-positief geladen kern, waaromheen zich een ijle wolk bevindt van elektrisch-negatief geladen elektronen. Deze elektronen bewegen zich met een grote snelheid op een relatief grote afstand rond de kern. De atoomkern is een samengesteld deeltje, van zeer complexe aard, dat 2 soorten, even zware, kerndeeltjes bevat: het positief geladen proton en het elektrisch neutrale neutron. Het aantal protonen bepaalt tot welk element het atoom behoort, het aantal protonen plus het aantal neutronen bepaalt de atoommassa.

Atoomkernen kunnen onder bepaalde omstandigheden instabiel zijn. Deze instabiliteit kan veroorzaakt worden door:
- het uit balans zijn van de protonen-neutronen verhouding. Er is dan óf een teveel aan protonen óf een teveel aan neutronen.
- het totale aantal kerndeeltjes kan te groot zijn, waardoor deze niet meer bijeen gehouden kunnen worden.
- de kern is door een externe oorzaak in een verhoogde (aangeslagen) energietoestand terechtgekomen.
Indien een kern instabiel is, dan zal deze kern, door middel van een intern omzettingsproces, proberen over te gaan naar een stabielere vorm. De atomen zijn dan onderhevig aan radioactief verval. Het instabiele atoom zendt tijdens deze omzetting straling uit vanuit de kern. De soort kernstraling, die vrij komt, is afhankelijk van de toestand van de kern.

  NG2
Een meer algemene benaming (in de wetenschap) voor atoomsoort is het woord nuclide. Een nuclide (het Latijnse nucleus betekent kern) wordt weergegeven door de naam van het element plus het aantal aanwezige kerndeeltjes. Zo heb je de bijvoorbeeld de nuclide koolstof-12 (ook wel geschreven als 12C) waarvan de kern is opgebouwd uit 6 protonen en 6 neutronen. Indien een atoomsoort of nuclide radioactief is spreekt men ook wel van een radionuclide.

1.2 Halveringstijd
De levensduur van isotopen
De halveringstijd is de tijd die aangeeft hoe lang het duurt voordat de helft van het oorspronkelijke aantal radioactieve atomen vervallen is. De stof wordt langzamerhand minder radioactief en zendt dan minder straling uit. Deze tijd is voor elk radioactief atoomsoort verschillend en kan variëren van een fractie van een seconde tot miljoenen jaren.
Indien sprake is van een lange halveringstijd (maanden, jaren) spreken we van langlevende radioactieve stoffen. Bij atomen met een korte halveringstijd zal ook de stralingsactiviteit snel afnemen. Na het verstrijken van twee halveringstijden is er nog maar de helft van de helft (¼) van de radioactieve stof en samenhangende stralingsactiviteit over. Zo is er na het verstrijken van tien halveringstijden minder dan éénduizendste over.
De in de natuur voorkomende radioactieve stoffen hebben vaak zeer lange halveringstijden zoals bijvoorbeeld uranium-238 (4,7 miljard jaar) en kalium-40 (1,3 miljard jaar). De radioactieve stoffen waarmee gewerkt wordt in de nucleaire geneeskunde hebben echter halveringstijden die vele malen korter zijn, meestal enkele uren tot hooguit enkele dagen. Bijvoorbeeld het veel gebruikte Technetium-99m (6 uur) en Indium-111 (2,8 dagen).
Als maat voor de stralingsactiviteit is gekozen voor de Becquerel. Genoemd naar Henri Becquerel, de ontdekker van uraniumstraling. Deze eenheid is een maat voor het aantal transformaties (desintegraties van de atoomkern) per seconde. 1 Bq staat voor één desintegratie per seconde. Vaak werkt men echter met veelvouden van deze kleine maat, zoals kilobecquerel (kBq), megabecquerel (MBq) en gigabecquerel (GBq), respectievelijk 1.000, 1.000.000 en 1.000.000.000 keer zoveel.


1.3 veiligheidsmaatregelen
Hoe wordt de veiligheid gewaarborgd?

Biologische effecten van straling kunnen ontstaan wanneer ioniserende straling levend weefsel treft. Zo veroorzaakte het radium, dat Pierre Curie op zijn huid legde, ernstige op brandwonden lijkende, verwondingen. Later bleek dat straling, behalve directe effecten óók nog late effecten kan veroorzaken. De stralingspioniers waren niet op de hoogte van de risico's van hun vak. Tegenwoordig is de kennis van de biologische stralingseffecten echter sterk uitgebreid.
De gevolgen van blootstelling aan straling is ook sterk afhankelijk van welke lichaamsdelen of organen feitelijk worden bestraald, dit alles is verwerkt in het begrip effectieve dosis. Als maat voor deze effectieve dosis wordt gebruik gemaakt van de millisievert (mSv).
Blootstelling aan zeer hoge doses straling kan ernstige stralingsziekte veroorzaken en is in het uiterste geval zelfs dodelijk. We hebben het dan wel over zeer hoge stralingsdoses (vele duizenden millisievert) die aanzienlijk groter zijn dan duizend maal de natuurlijke jaardosis welke wij ontvangen uit de ons omringende natuur (o.a. kosmische straling en radioactieve straling uit de aardbodem). We hebben het dan in feite over stralingsongevallen.
Voor lage stralingsdoses, en zeker voor extreem lage doses beneden enkele millisievert, bestaat er geen wetenschappelijk bewijs dat straling gezondheidsschade bij de mens veroorzaakt. Echter er bestaat ook géén bewijs dat kanker en/of erfelijke effecten niet kunnen optreden. Het is juist vanwege deze vele onzekerheden dat stralingsbescherming tot doel heeft om het aantal mensen dat aan straling wordt blootgesteld, zo gering mogelijk te houden en bovendien te zorgen dat de blootstelling aan straling voor elk individu zo laag mogelijk blijft als redelijkerwijs haalbaar.

Bescherming tegen straling wordt verkregen door: afscherming, afstand, tijd en hygiëne.

Afscherming
Een middel om de ioniserende straling te verzwakken is afscherming. De bekendste afschermingsmaterialen voor gamma- en röntgenstraling zijn lood en beton. Dit zijn echter niet de enige materialen die geschikt zijn om straling te verzwakken. Anderhalve centimeter perspex is vaak al voldoende om bètastraling volledig tegen te houden, terwijl alfastraling niet eens in staat is door een stuk papier heen te dringen. Als het om praktische redenen niet mogelijk is de stralingsbron af te schermen, kan het personeel zich, bij toepassing van röntgenstraling, tegen de straling beschermen door een loodschort te dragen. Bij de nucleaire geneeskunde is dat in de praktijk minder zinvol omdat de stralingsenergie doorgaans veel hoger is dan bij röntgenstraling en dientengevolge voor een belangrijk deel door het loodschort doorgelaten wordt. Zwaardere loodschorten zijn weer onhanteerbaar. Wel wordt de radioactieve stof zoveel mogelijk afgeschermd bijvoorbeeld door gebruik te maken van loden potjes en door een loodhuls om de injectiespuit te doen.

NG3  
Afstand
De stralingsdosis kan ook worden beperkt door een zo groot mogelijke afstand tot de radioactieve bron te bewaren. Vergelijk dit bijvoorbeeld met het maken van een flitsfoto in een grote ruimte. Naarmate de afstand van het te fotograferen object verder van de flitslamp af staat, valt er minder licht op. Deze belichting neemt kwadratisch af met de afstand. Zo is het ook bij de straling vanuit radioactieve bronnen. Wordt de afstand tot de radioactieve bron drie maal zo groot dan wordt de stralingsintensiteit dus 32 = 9 maal zo klein.
Ook bij het hanteren van radioactieve stoffen kan het best gebruik gemaakt worden van hulpgereedschappen, zoals pincetten en tangen,  om de afstand te vergroten

Tijd
Een kortere blootstelling aan een stralingsbron veroorzaakt een lagere dosis dan een langere blootstelling. Bij het werken met stralingsbronnen is het dus belangrijk dat de handelingen snel, maar niet gehaast, worden uitgevoerd. Bij inwendige bestraling, zoals gebeurt bij de onderzoeken op de nucleaire geneeskunde, stopt de bestraling pas wanneer de radioactieve stoffen het lichaam hebben verlaten. Het is daarom dat men hier kiest voor radionucliden met een korte halveringstijd en stoffen die door hun biochemische eigenschappen het lichaam weer snel verlaten.

Hygiëne
Bij het werken met zogenoemde 'open' radioactieve stoffen kan onbedoeld radioactief materiaal in het lichaam terecht komen (inwendige besmetting). De inwendige besmetting kan het gevolg zijn van opname via de mond (inslikken), via de huid (wondje) of via de longen (inademen). Belangrijk is het dus om tijdens werkzaamheden op juiste wijze handschoenen te dragen, handen te wassen voor het eten enz. Ook dienen werkzaamheden met radioactieve stoffen zo veel mogelijk in een zuurkast te worden uitgevoerd, waar nagenoeg alle, in de lucht vrijgekomen radioactiviteit wordt afgezogen.
De twee regels van stralingsbescherming zijn dus:
1) Vermijd langdurige, nabije aanwezigheid bij een stralingsbron
2) Betracht een zorgvuldige toilethygiëne (is vanzelfsprekend)
Symbool van radioactiviteit
Als waarschuwing voor de aanwezigheid van straling kunnen diverse signaleringen worden toegepast, Eén van deze signaleringen is het symbool van radioactiviteit. Dit symbool is aanwezig bij de ingang van ruimtes waar radioactieve bronnen aanwezig zijn of waar radioactieve straling aanwezig kàn zijn. De toegang tot deze ruimte is verboden, tenzij een bevoegd persoon toestemming heeft gegeven de ruimte te betreden. 
 
NG4 
Wetgeving
De overheid heeft een stelsel van wettelijke regels opgesteld: de "Kernenergiewet". Volgens deze wet is het verboden stralingsbronnen voorhanden te hebben, toe te passen en zich ervan te ontdoen, tenzij daarvoor een vergunning is verleend. Tevens is het gebruik van radioactieve stoffen en ioniserende stralen uitzendende toestellen wettelijk geregeld in het "Besluit Stralingsbescherming". Hierbij geldt dat elke handeling, die blootstelling aan ioniserende straling met zich meebrengt, alleen mag plaatsvinden als zij nut heeft en als zij zo wordt uitgevoerd dat de dosis zo laag mogelijk is.
Eén van de regels, die zijn ingesteld, zijn de dosislimieten.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen personen die beroepsmatig met stralingsbronnen werken (radiologisch werkers) en de rest van de bevolking. Radiologisch werkers zijn niet alleen mensen die in een kernreactor of ziekenhuishuis werken, ook stewardessen, piloten en tandartsen behoren tot deze groep. De limiet voor radiologisch werkers bedraagt 20 mSv per jaar boven de achtergrondstraling (ca. 2 mSv / jaar). Voor de rest van de bevolking geldt een dosislimiet van 1 mSv per jaar boven de achtergrond. Voor medische blootstelling (bij patiënten) gelden geen dosislimieten omdat de blootstelling aan straling in het directe voordeel van de patiënt is. Dosislimieten voor patiënten zouden tot de ongewenste situatie kunnen leiden dat een behandeling voortijdig moet worden gestaakt vanwege het bereiken van de dosislimiet.

Stralingsdoses van radiologisch werkers worden geregistreerd met behulp van persoonsdosimeters. Radiologisch werkers dragen deze dosimeters tijdens hun werkzaamheden op het lichaam. Na een periode van twee of vier weken wordt de effectieve dosis over die periode bepaald. De gemiddelde jaardosis van radiologisch werkers op de afdeling nucleaire geneeskunde van het Erasmus MC is ongeveer 1,0 mSv  boven de achtergrondstraling.
Als gevolg van de altijd aanwezige achtergrondstraling ontvangt de gemiddelde Nederlander een effectieve jaardosis van ongeveer 2 mSv. Er zijn echter streken in de wereld bekend waar de uitwendige dosis door aardstraling aanzienlijk (soms wel 10x ) hoger ligt.

NG5
 
 

1.4 Soorten straling
De verschillende soorten straling

Elektromagnetische straling:
In de ons omringende natuur kennen we vele soorten straling, zoals radiogolven, radar, laser, licht, warmte en ultraviolette straling van de zon. Deze vorm van straling, ook wel elektromagnetische straling of EM-straling genoemd, is te zien als een golfverschijnsel dat zich met de snelheid van het licht door de ruimte verplaatst. De energie van deze elektromagnetische golven hangt af van hun frequentie (aantal trillingen per seconde) of samenhangende golflengte. Zo gaat onze datacommunicatie grotendeels met behulp van deze EM-straling, waarbij wij satellieten als ontvanger en/of zender gebruiken.
NG6   
Ioniserende straling:
De hierboven genoemde straling is niet de vorm van straling die we bedoelen als we het over radioactiviteit hebben. Bij radioactiviteit hebben we het over ioniserende straling.
Alle straling bezit energie. De energie van ioniserende straling is zo groot dat deze in staat is om, bij passage door het medium waardoor de straling gaat, één of meer elektronen van een atoom of molecuul te verwijderen waardoor het achtergebleven atoom of molecuul één of meer positieve ladingen krijgt. Het vervolgens ontstane atoom of molecuul kan zich nu binden met andere atomen of moleculen. Daardoor is ioniserende straling in staat biologische effecten te veroorzaken. Zo kunnen alle soorten ioniserende straling levende weefsels beschadigen, weefsels met veel celdelingen zijn hier het gevoeligst voor. Ioniserende straling wordt dus ook bewust gebruikt om cellen te doden, zoals bij radiotherapie het geval is. Voorbeelden van ioniserende straling zijn röntgenstraling, alfastraling, bètastraling en gammastraling.

Röntgenstraling werd in 1895 ontdekt door W.C. Röntgen. Hij ontdekte dat je met deze stralen o.a. de botten in een hand kon fotograferen. Met name de medische wereld was geïnteresseerd in deze nieuwe straling, omdat men hiermee het inwendige van de mens kon bekijken zonder hem open te snijden. Zelf noemde Röntgen zijn ontdekking X-stralen. Officieel is deze naam gewijzigd maar zo hier en daar kom je de naam X-stralen nog wel tegen. De belangrijkste eigenschap van röntgenstraling is, dat zij bij het passeren van materie verzwakt wordt, doordat een deel van de straling wordt geabsorbeerd en verstrooid. De verzwakking is afhankelijk van de aard van de te doordringen materie (atoomnummer, dichtheid en dikte) en van de gemiddelde hardheid van het stralenmengsel. Energierijke (harde) röntgenstralen (korte golflengte) hebben een groot doordringingvermogen, energiearme (zachte) röntgenstralen (lange golflengte) een gering doordringingvermogen.
Röntgenstraling is een elektromagnetische straling die bijvoorbeeld ontstaat door elektronovergangen in de elektronenschil of als gevolg van afremming van elektronen. Zo worden in een röntgenbuis elektronen door een hoge gelijkspanning versneld en op een metaalelektrode geschoten, waar zij door de materie worden afgeremd met als resultaat de uitgezonden röntgenstraling.

NG7   
  
Alfastraling
Alfa en bèta straling zijn geen (elektromagnetische) golven. Het zijn energierijke deeltjes die uitgestoten worden uit onstabiele atoomkernen. Bij alfastralen zijn de deeltjes relatief groot en zwaar. Het zijn heliumatomen(kernen) bestaande uit twee protonen en twee neutronen. Alfastralen hebben geen doordringend vermogen en worden snel afgeremd. Een blad papier of een luchtlaag van 3 cm kan de alfastralen al tegen houden.

Bètastraling
Bètastraling is de door atoomkernen uitgezonden straling, bestaande uit elektronen, bij een radioactief vervalproces. Bètastralen worden goed geabsorbeerd door een laag materie van geringe dikte (bijv. enkele millimeters aluminium of 2 cm kunststof ).

Gammastraling
Dit is weer wel elektromagnetische straling, meestal met zeer kleine golflengte, die door vele soorten atoomkernen uitgestraald wordt. In tegenstelling tot röntgenstraling vindt gammastraling zijn oorsprong in een atoomkern. Gammastraling is zeer doordringend en laat zich het best afzwakken door zware materialen (zoals lood).

1.5 Isotopen
De verschillende isotopen

Isotopen zijn nucliden (atomen), die tot hetzelfde chemische element behoren, maar toch in massa van elkaar verschillen. Zij bezitten in de kern hetzelfde aantal protonen, echter een verschillend aantal neutronen. Zij hebben dus wèl dezelfde chemische eigenschappen. Dit wordt aangegeven door het vermelden van het atoomgewicht bij het betreffende element.
Een isotoop hoeft niet altijd radioactief te zijn. Echter in de Nucleaire Geneeskunde gebruiken wij de radioactieve soorten, juist vanwege hun stralingseigenschappen. Zo wordt er op de nucleaire geneeskunde onder andere gebruik gemaakt van de volgende isotopen van het element jodium: jodium-123, jodium-125 en jodium-131. Ook wel geschreven als 123I, 125I en 131I (de internationaal vastgelegde schrijfwijze).

 
NG8 
Radionucliden kunnen ook kunstmatig worden gemaakt. Zo kan men, in een kernreactor, een niet radioactieve stof met neutronen "beschieten". De atoomkernen kunnen deze neutronen opnemen, zodat er atoomkernen kunnen ontstaan met een neutronenoverschot (en daardoor radioactief).
Ook kan men met behulp van een cyclotron (een deeltjesversneller) atoomkernen "beschieten" met protonen zodat er atoomkernen ontstaan met een protonenoverschot (en daardoor ook radioactief).
Beschietingen met neutronen levert isotopen van hetzelfde element (zij bezitten hetzelfde aantal protonen) met een verschillend aantal neutronen, dus een verschillend atoomgewicht. Bij beschietingen met protonen ontstaan er (radio)nucliden van een ander element, immers de "vangst" van een proton in de kern van het beschoten element verandert het aantal protonen.

1.6 Toepassingen van radioactiviteit
De toepassingen

Koolstofdateringsmethode:
Kosmische straling zorgt er voor dat, in de ons omringende atmosfeer, koolstof-14 gevormd wordt uit stikstof-14. De verhouding van dit radioactieve koolstof (14C) ten opzichte van het niet-radioactieve koolstof (12C) is in alle levende planten en dieren dezelfde als in de lucht. Indien echter een plant of dier sterft dan stopt de toevoer van alle koolstof aan dat organisme en zal het gehalte aan 14C, door radioactief verval, geleidelijk dalen.
Door nu de verhouding 14C/12C van organisch materiaal te bepalen is het mogelijk om uit te maken  hoe lang het geleden was dat dit organisch materiaal "leefde". Zo hebben archeologen de ouderdom kunnen bepalen van vele gevonden voorwerpen zoals kleren, leer, hout, touw en beenderen.  Door de betrekkelijk korte halveringstijd (5750 jaar) van 14C is deze methode niet geschikt voor de datering van voorwerpen ouder dan ongeveer 50 000 jaar.

Industrie / transport:
In de industrie worden radioactieve stoffen en straling gebruikt in procesbewaking en bij metingen. De absorptie van ioniserende straling neemt toe met de dikte van de laag en de dichtheid van de materie. Zo in men bijvoorbeeld in staat om dikten van materialen te meten of op peil te houden tijdens de productie. 
 
NG9       
Ook het scannen van auto's, bagage en bolletjesslikkers behoort tot de toepassing van ioniserende straling

Energievoorziening:
Tijdens de Tweede Wereldoorlog slaagde men erin om kernbommen te maken die een ongekende vernietigingskracht hadden. De Japanse steden Hiroshima en Nagasaki werden hierdoor verwoest. Honderdduizenden mensen werden hiervan direct en indirect het slachtoffer. Na de oorlog werden nucleaire elektrische centrales ontwikkeld om de enorme hoeveelheden energie, die bij kernsplijtingen vrijkomt, voor vreedzame doeleinden te gaan gebruiken. Echter van het in het begin aanwezige optimisme is niet veel meer overgebleven. Dit omdat aan de kernsplijting (van uraan-235 en plutonium-239) nogal wat bezwaren kleven, zoals het ontstaan van grote hoeveelheden hoogradioactief afval en de gevaren voor het milieu bij calamiteiten en rampen.

Wetenschap:
In verscheidene takken van de wetenschap heeft men veel moeilijke problemen kunnen oplossen door gebruik te maken van het feit dat nucleaire straling nogal makkelijk aantoonbaar is. Belangrijke toepassingen liggen onder andere op het gebied van de fotosynthese, biochemie en het virusonderzoek. Een element in een chemische verbinding wordt herkenbaar gemaakt door één of meerdere atomen te vervangen door een radioactief isotoop. Omdat isotopen vrijwel dezelfde chemische eigenschappen hebben, verlopen chemische reacties op identieke wijze. Zo kan men chemische omzettingen of een transportproces op de voet volgen. De gemerkte atomen of moleculen worden ook wel tracers genoemd.

Sterilisatie:
Een zeer belangrijke toepassing van gammastraling is de sterilisatie van voedingsmiddelen en medische gebruiksartikelen, zoals verband en injectienaalden. Micro-organismen worden door een hoge dosis straling namelijk gedood. Het doorstralen van gebruiksartikelen en voedingsmiddelen laat geen straling of radioactieve stoffen achter.

Medische toepassingen:
Radiodiagnostiek (ook wel röntgendiagnostiek) is veruit de meest gebruikte toepassing van straling. Het gaat hierbij om met behulp van uitwendige bestraling (de straling komt uit het röntgenapparaat) een fotografisch beeld van het inwendige van het lichaam te verkrijgen. Dit beeld wordt vastgelegd op een fotografische plaat, die zich achter het lichaam bevindt. Vaak wordt hierbij ook gebruik gemaakt van contrastmiddelen (die straling sterk absorberen) om lichaamsholten, bloedvaten of contouren van organen zichtbaar te maken. Voorbeelden van radiodiagnostiek zijn een foto van de borstkas (thoraxfoto) of  skelet. Ook de zogenoemde mammografie behoort tot de radiodiagnostiek.
Een bijzondere vorm van radiodiagnostiek is de zogenoemde computertomografie (CT). Hierbij roteert een smalle röntgenbundel om het te onderzoeken lichaamsdeel en tast zo het doorsnedevlak in een groot aantal hoeken af. De verschillen in doorlaatbaarheid worden via een gevoelige stralingsdetector in een computer vastgelegd en gecorreleerd aan de plaats van projectie. Uit alle projecties wordt met behulp van een computerprogramma het doorsnedebeeld berekend.

NG10 
thoraxfoto                                                              computertomografie (CT)

Radiotherapie is een behandelmethode waarbij men, met behulp van ioniserende stralen, probeert om bepaalde soorten tumorcellen te vernietigen. Deze straling wordt opgewekt in speciaal voor dit doel ontwikkelde apparatuur (röntgenapparaten en lineaire versnellers). Ook radioactieve materialen (kobalt-60, radium, cesium en iridium) kunnen worden gebruikt. Bestraling kan uitwendig worden gegeven of inwendig (brachytherapie). Bij inwendige bestraling wordt een ingekapselde radioactieve bron in een lichaamsholte gebracht of direct in weefsel gestoken.
Vaak wordt deze behandelmethode toegepast in combinatie met chirurgie en chemotherapie.

1.7 patiëntendosis
De stralingsdosis waar de patient aan wordt blootgesteld

De dosis die de patiënt ontvangt van een nucleair geneeskundig onderzoek hangt onder andere af van het type radiofarmacon en de toegediende radioactiviteit.
enkele voorbeelden:

Botscintigrafie                                ca. 3,1 mSv
Hartperfusiescintigrafie (MIBI)         ca. 8,5 mSv
Longperfusie scintigrafie                 ca. 1 mSv
Nierscintigrafie (MAG3)                   ca. 0,6 mSv
PET-CT                                         6-10 mSv

Ter vergelijking:
Bij een röntgen onderzoek bedraagt de gemiddelde effectieve dosis ongeveer 0,5 mSv.
Voor een CT-scan varieert dit van 1,5 mSv - 16 mSv (afhankelijk van het gescande gebied).
Bij een transatlantische vlucht naar bijvoorbeeld Noord-Amerika      ca. 0,05 mSv

Wilt u nog meer weten?
Kijk dan ook eens bij de volgende internetlinks:
www.NRG-nl.com/public/indexnl.html
www.nrg-nl.com/public/abc/abc_boek.html
www.nvs-straling.nl/