target menu
 

Pseudocholinesterase

Succinylcholine, mivacurium...

Bepaling
Pseudocholinesterase (BChE) genotypering
A, K, F1, F2, H, J en Sc varianten

Klinische informatie
Ongeveer 1:1.250 patiënten heeft een verlaagde pseudocholinesterase activiteit. De helft hiervan wordt genetisch veroorzaak,t door de aanwezigheid van 2 variant allelen. Het meest voorkomende variant allel coderend voor afwezigheid van activiteit is het A (A-typische) allel. Aanwezigheid van deze variant werd vroeger met name enzymatisch aangetoond met behulp van een dibucaïne test, waarbij pseudocholinesterase activiteit in aanwezigheid van dibucaïne wordt gemeten. De inactieve varianten F1 en F2 werden ook enzymatisch aangetoond, en staan bekend als Fluoride-resistente vormen. Ook H en J allelen coderen voor inactief enzym. De K-variant codeert voor een licht verminderde (30%) pseudocholinesterase activiteit, en wordt vaak gevonden in combinatie met de A-variant (als een AK haplotype). Afwezigheid van varianten wordt aangeduid met U (=Usual variant).

Patiënten met 2 inactieve allelen zijn deficiënt voor pseudocholinesterase, en zullen bij gebruik van de spierverslappers succinylcholine en mivacurium zeer lange (tot zelfs 6 uur) apneu laten zien. Bij vaststelling van pseudocholinesterase-deficiëntie dienen deze middelen dan ook niet gebruikt te worden. Meestal wordt na vaststelling van genetische pseudocholinesterase-deficiëntie ook screening aangeboden aan familieleden.

Bij een aanvraag voor deze test dient ook een serumbuis te worden verstrekt voor het bepalen van de enzymatische pseudocholinesterase-activiteit (normaalwaarden (mannen) 6.6-11.2 kU/L) Andere factoren die een verlaagde pseudocholinesterase-activiteit geven zijn maligniteiten, ontstekingen, zwangerschap en blootstelling aan pesticiden.

Betrokken geneesmiddelen (o.a.)
Succinylcholine, mivacurium

Methode
TaqMan, met bevestiging middels DNA sequencing.

Materiaal
EDTA-bloed (4 mL) en serum. Opslag in koelkast (max 4 dagen), verzenden kan bij kamertemperatuur.

Uitkomst van de test
Normaal U/U (= geen A, K, F1, F2, H, J of Sc-variant aanwezig)
Intermediair U/A, U/F1, U/F2, U/H, U/J, U/Sc
Deficiënt A/A, A/F1, A/F2, A/H, A/J, F1/F1, F1/F2, F1/H, F1/J, F1/Sc,  etc

De K-variant wordt vaak gevonden samen met de A-variant, en is 1 haplotype. Vooralsnog wordt aanwezigheid van de K-variant niet geassocieerd met ernstige pseudocholinesterase deficiëntie.

Heterozygoten hebben mogelijk een iets verlengde apneu op succinylcholine en mivacurium, maar deze middelen zijn niet op voorhand gecontra-indiceerd in deze patiënten.

De Sc-variant geeft een normale enzymactiviteit in vitro, maar is wel degelijk deficiënt in vivo.

Referentiewaarden
1:2.500 is genetisch deficiënt voor pseudocholinesterase.


   

 Allelfrequenties

 A
209A>G D70G

 K
1615G>A A539T

 F1
7238C>T T243M

 F2
1169G>T G390V

 H
424G>T V142M

 J
1490A>T E497V

 Sc
551C>T A184V

 Caucasiers

 1.8%

 12.8%

 0.3%

 0.3% 

<0.1% 

  0.3%

 0.6%


Interpretatie en consequenties voor therapie:
Bij pseudocholinesterase-deficiënte patiënten dienen succinylcholine en mivacurium te worden vermeden. Het aanbieden van screening aan familieleden wordt geadviseerd.

Gevoeligheid en beperkingen
Detecteert de meest voorkomende genetische oorzaken van pseudocholinesterase-deficiëntie;
Traag metabolisme als gevolg van zeldzamere DNA varianten kan niet 100% worden uitgesloten.
Eventueel kan op additionele polymorfismen worden getest.

Bepalingsfrequentie:
Wekelijks.


Literatuur:

  1. Goodall R; Association of Clinical Biochemists Analytical Investigations Standing Committee. Cholinesterase: phenotyping and genotyping. Ann Clin Biochem. 2004 Mar;41(Pt 2):98-110. Review.