target menu
... / ... / ... / Wetenschappelijk onderzoek / Biomarkers in erfelijke FTD
 

Biomarkers in erfelijke FTD

In ongeveer 30% van de gevallen van frontotemporale dementie speelt overerving een belangrijke rol, de meest voorkomende erfelijke eigenschappen voor dit ziektebeeld liggen in het zogenaamde MAPT, progranuline en C9orf72 gen. Wanneer iemand een genetische afwijking heeft, dan heeft deze persoon een sterk verhoogde kans om de ziekte te ontwikkelen. Baanbrekende behandelingsmethoden voor erfelijke FTD zijn op dit moment in de ontwikkelfase; voor het eerst is er hoop op een effectieve behandeling van patiënten met deze specifieke vorm van dementie. Echter, op het moment zijn er onvoldoende gevoelige meetinstrumenten beschikbaar die het begin en het beloop (progressie) van de ziekte kunnen meten. Deze instrumenten zijn essentieel om het effect van potentiële behandelmethoden te meten. Door langdurig onderzoek te doen bij mensen met 50% kans op FTD op basis van een erfelijke eigenschap, zijn wij in staat om vroege veranderingen op te sporen nog voordat de ziekte aanwezig is (in de zogeheten presymptomatische fase). Wij onderzoeken deze veranderingen op neuropsychologisch onderzoek, in het brein (met behulp van geavanceerde MRI-scans), en in het bloed en hersenvocht. Dit helpt ons om het ziekteproces beter te begrijpen en instrumenten in hand te krijgen die de progressie van de ziekte meten.
Meetinstrumenten in bloed en hersenvocht worden fluïde biomarkers genoemd. Ons onderzoek naar fluïde biomarkers is opgedeeld in twee grote delen: (1) het testen van eerder gevonden biomarkers in erfelijke FTD en (2) het zoeken van nieuwe biomarkers met nieuwe technieken.


BiomarkersTot nu toe hebben wij ons in het eerste deel gericht op de eiwitten ‘progranuline’ en ‘neurofilament light chain’.
Progranuline is een eiwit dat een belangrijke rol speelt in FTD veroorzaakt door een erfelijke eigenschap in het progranuline gen (erfelijk materiaal) waarbij het eiwit progranuline verlaagd is. Recent is een medicijnonderzoek gestart om progranulinegehaltes te verhogen, hiervoor is het belangrijk te weten hoe progranuline normaal in het bloed schommelt en hoe bloedwaardes zich verhouden met die in de hersenen. Wij hebben deze schommelingen onderzocht door vijf keer bloed af te nemen: de eerste dag drie keer (om de 6 uur), na 1 dag en na 1 week. Door deze precieze metingen aan te houden hebben we een unieke set van gegevens gecreëerd met hele waardevolle informatie. Uit onze resultaten blijkt dat de progranulinegehaltes opvallend stabiel zijn over de dag en over de week. Ook hebben wij ruggenprikken verricht om het verband in progranuline concentratie tussen bloed en hersenvocht te bekijken. Deze resultaten zijn zeer belangrijk voor het eerder genoemde medicatieonderzoek.
Ook is neurofilament light chain een hoopgevend meetinstrument dat we in een groot internationaal verband hebben onderzocht. Dit eiwit lijkt een veelbelovende maat om de ziektefase, en mogelijk ook progressie, te meten aangezien deze sterk verhoogd blijkt te zijn in patiënten in vergelijking met presymptomatische dragers van een erfelijke eigenschap.


In het tweede gedeelte van het onderzoek naar fluïde biomarkers gebruiken wij nieuwe, brede technieken (proteomics en epigenetische technieken) om nieuwe meetinstrumenten te vinden. Het voordeel van deze technieken is dat er op een brede manier wordt gezocht naar nog onbekende metingen waarbij vooraf gestelde verwachtingen de resultaten niet vertroebelen. Allereerst richten wij ons op biomarkers in het hersenvocht omdat dit het beste weerspiegelt wat zich afspeelt in de hersenen. Wanneer wij een geschikte kandidaat hebben gevonden zullen wij ook in het bloed bekijken of het zelfde patroon wordt gezien en of bloedafnames eventueel een ruggenprik overbodig kunnen maken.