target menu
... / ... / Over hersentumoren / Hersentumor: Verloop van de ziekte
 

Hersentumor: Verloop van de ziekte

VerloopVanDeZiekte

Meestal geven we een prognose op basis van de graad van de tumor, en dat is inderdaad de meest belangrijke factor voor de prognose van een individuele patiënt.

Er zijn echter veel factoren die daarnaast invloed hebben op de levensverwachting van een hersentumorpatiënt. Dat zijn opnieuw aan de tumor gerelateerde factoren, zoals de diagnose (oligodendrogliomen hebben over het algemeen een betere prognose dan astrocytomen), en specifieke DNA-afwijkingen van de tumoren.

Voor sommige DNA-afwijkingen is inmiddels duidelijk dat zij veel invloed hebben op de uitkomst maar ook bepalend zijn voor de keus van de behandeling (zoals het zogenaamde gecombineerde 1p/19q verlies bij oligodendrogliomen).

Andere factoren zijn echter ook van veel belang: met name de leeftijd van de patiënt en de conditie waarin hij verkeert. In het algemeen kan gesteld worden: hoe jonger de patiënt en hoe beter zijn conditie, des te beter zijn prognose. Die invloed van de leeftijd geldt overigens voor tumoren bij volwassenen, bij kinderen spelen hele andere factoren. Verder is bij de zogenaamde laaggradige hersentumoren de grootte van de tumor van wezenlijk belang.

Toch is een relativerende opmerking hier op zijn plaats. Als een arts een uitspraak doet over 'de overleving' bedoelt hij meestal de gemiddelde overleving. En 50% van de patiënten leeft langer dan dat gemiddeld, en 50% leeft korter. Doorgaans worden dat soort cijfers gehaald uit grote series patiënten die op een bepaalde manier behandeld zijn.

Hoewel die series veel informatie geven, zijn die toch maar beperkt toepasbaar op een individuele patiënt. Ook de analyse van die grote series verklaart in het algemeen maar een derde van de variatie in overleving bij hersentumorpatiënten.

Vaak is daarom een cijfer dat in het algemeen vertelt hoeveel procent van de patiënten na een bepaald aantal jaren nog in leven is voor een individuele patiënt veel meer informatief. Een paar voorbeelden: van de graad IV-, ofwel glioblastoom-patiënten onder de 70 jaar die behandeld worden met gecombineerde chemoradiotherapie is na twee jaar nog 25% in leven. Van anaplastische oligodendroglioom-patiënten met gecombineerd 1p/19q verlies, die met radiotherapie en PCV-chemotherapie worden behandeld, is na 12 tot 14 jaar nog zo’n 50% in leven.

Een ding is echter zeker: een dokter kan nooit zeggen hoe lang iemand nog zal leven.