Naar topnavigatiemenu Naar hoofdnavigatiemenu Naar hoofdinhoud
Patiëntenfolder

Richtlijnen bij gebruik insulinepomp

Adviezen en instructies bij behandeling met een insulinepomp

Hier leest u meer over verschillende onderwerpen die invloed hebben op de waarde van uw bloedsuiker en hoe u daarmee om moet gaan met de behandeling en gebruik van uw insulinepomp. We geven u adviezen en instructies voor de verschillende onderwerpen.

Download PDF

Over bloedsuiker

Een hypo noemen we ook wel een te lage bloedsuiker (hypoglycemie). Uw bloedsuikerwaarde is dan lager dan 4 mmol/l.

De hypo kan een aantal oorzaken hebben:
  • Verkeerde basale instelling. Dat is de instelling die kleine hoeveelheden de hele dag door geeft.
  • Verkeerde koolhydraten/insuline berekening
  • Te laat invoeren van koolhydraten bij een HCL insulinepomp
  • Te grote correctiebolus bij het geven van insuline bij het eten
  • Overlap van insuline door het kort op elkaar geven van bolussen
  • Extra beweging zonder insuline/voeding aanpassing
  • Een verdikking in het onderhuidse vet die hard aanvoelt. De verandering in uw huid komt op de plekken waar u insuline spuit. Dit noemen we spuitinfiltraten.
  • Alcohol gebruik
  • Stress/emoties/spanning
  • U moet braken, of u eet niet
  • Milde hypo: Neem ongeveer 5 tot 10 gram snelle koolhydraten (dit zijn 1 tot 3 dextro energy tabletten) of 1 glas zoete limonade.
  • Ernstige hypo: Neem ongeveer 20 gram koolhydraten (dit zijn ongeveer 5 dextro energy tabletten).
  • Meet na 15 minuten opnieuw uw bloedsuiker met een vingerprik. Is uw bloedsuiker nog te laag en blijft niet gelijk of stijgt niet? Neem dan opnieuw 5 tot 10 gram koolhydraten. Blijf dit herhalen tot uw bloedsuiker weer gaat stijgen.
  • Blijft uw bloedsuiker te laag?
    • Met een HCL insulinepomp: u hoeft niets te doen.
  • De pomp stopt even met insuline geven. De pomp begint vanzelf weer als uw bloedsuiker stijgt.
    • CSII pomp: U kunt de pomp tijdelijk stoppen, maximaal 2 uur. Start de pomp weer als uw bloedsuiker hoger is dan 6 mmol/l.
  • Na een hypo is uw bloedsuiker vaak de rest van de dag hoger dan normaal. Dit komt doordat uw lichaam tegen een lage bloedsuiker in werkt. Zo maakt uw lichaam hormonen aan om de waarde van uw bloedsuiker weer te verhogen.
  • Denk na over de oorzaak van de hypo. Kunt u dit een volgende keer vermijden?
  • Een hypo komt vaak doordat u te veel insuline heeft gegeven bij het eten. Alleen de pomp stoppen is dan niet genoeg. U moet daarom altijd snelle koolhydraten nemen.


Het is belangrijk dat de mensen om u heen weten wat ze moeten doen als u een hypo krijgt. Bijvoorbeeld uw partner, familie, huisgenoten of collega’s. Als u zelf niet in staat bent om de hypo op te lossen, kan een ander u helpen door:
  • Kunt u nog zelfstandig eten en drinken? U kunt dan 5 dextro tabletten of een glas zoete limonade krijgen.
  • Bent u bewusteloos? U kunt dan een Glucagon injectie of neusspray krijgen. Uw arts kan u hier een recept voor geven.
Een hyper noemen we ook wel een te hoge bloedsuiker (hyperglycemie). Uw bloedsuiker is dan hoger dan 10 mmol/l. Bij een ernstige hyper is uw bloedsuiker hoger dan 13,9 mmol/l. Is er geen duidelijke reden voor de hoge bloedsuiker? Vervang dan de infusieset en de ampul van de pomp.

De pomp geeft steeds kleine hoeveelheden snelwerkende insuline. U heeft daarom geen langwerkende insuline in uw lichaam. Krijgt u te weinig insuline? Dan kan uw bloedsuiker snel te hoog worden.

Mogelijke oorzaken van een hyper

  • Problemen met de pomp.
  • Problemen met de infuuscanule, zoals:
    • Ontsteking of irritatie van de insteekplaats.
    • Spuitinfiltraten. Dit kan ontstaan als de canule te lang of te veel op dezelfde plaats geprikt is.
    • Loslaten van de canule
    • Canule niet goed geplaatst. Daarom moet u 2 uur na het plaatsen altijd uw bloedsuiker meten.
    • De canule of infusieset is verstopt.
  • U bent de bolus vergeten.
  • Uw basisinstellingen staat niet goed.
  • U heeft een fout gemaakt bij het verwisselen van de ampul, het vullen van de infusieset of het prikken van de canule.
  • U heeft last van plotselinge stress, emoties of spanning. Uw lichaam kan dan meer glucose aanmaken waardoor de waarde van uw bloedsuiker hoger is.
  • U bent ziek, heeft koorts of pijn. Uw lichaam kan dan meer insuline nodig hebben. Maar uw lichaam kan ook minder insuline nodig hebben wanneer u ziek bent. Dan kunt u last krijgen van een hypo.
  • U zit vlak voor uw menstruatie. Of uw menstruatie is net begonnen. Uw bloedsuikerwaarde kan dan hoger zijn. Maar uw bloedsuikerwaarde kan ook lager zijn voor uw menstruatie. Dan kunt u last krijgen van een hypo.


  • Maaltijdbolus vergeten? Neem deze dan alsnog. Als u een HCL insulinepomp heeft, neemt u maar tot 50% van de bolus als u korter dan 30 minuten geleden bent begonnen met eten. Is het langer dan 30 minuten geleden? Uw diabetesverpleegkundige spreekt met u af wat u dan het beste kan doen.
  • Controleer of de ampul goed geplaatst is.
  • Controleer of de infusieset goed gevuld is.
  • Controleer of er luchtbellen in de infusieset zitten.
  • Controleer de injectieplaats.
  • Geef uzelf een extra correctiebolus.
    • Merkt u dat uw bloedsuiker daalt? Geef dan elke 2 uur een bolus tot uw bloedsuiker onder de 13 mmol/l is. Daarna geeft u geen extra bolussen meer.
    • Daalt uw bloedsuiker in 1 uur na de correctiebolus met minder dan 2,7 mmol/l? Verwissel dan altijd de canule en infusieset. Controleer daarna na 2 uur nogmaals uw bloedsuiker.
    • Is uw bloedsuiker niet onder de 15 mmol/l 2 tot 3 uur nadat u de canule en infusieset heeft vervangen? Bel dan direct met de poli diabetologie.
  • Drink extra water: ieder half uur 2 glazen water.
  • Bent u ziek of heeft u koorts? Als het nodig is kunt u uw basaalstand tijdelijk aanpassen. Of uw bloedsuiker aanpassen volgens uw persoonlijke bijspuitschema.
  • Bent u misselijk of moet u braken? Bel dan met het ziekenhuis om dit met de diabetesverpleegkundige of internist te bespreken.
Als u te lang in een hyper blijft, kunt u in een keto-acidose komen. Doordat u insuline te kort komt, gaat uw lichaam vet verbranden om aan energie te komen. Hierbij komen zuren vrij: keto-zuren. Door deze zuren wordt u misselijk of gaat u braken. Hierdoor kunt u sneller uitdrogen. Dit is de keto-acidose.

Heeft u een bloedsuiker hoger dan 15 mmol/l en 1 (of meer) van deze kenmerken:
  • veel plassen
  • veel drinken
  • misselijk en braken
  • moe, slaperig
  • hoofdpijn
  • buikpijn
  • spierpijn
  • grote pupillen en wazig zien
  • snelle ademhaling
  • ‘fruitige’ adem: uw adem ruikt naar aceton
  • droge tong en droge huid.
Bel dan altijd direct met de poli diabetologie. Buiten kantoortijden belt u met het algemeen nummer van het Erasmus MC en vraagt u naar de internist die dienst heeft (zie kopje ‘ Contact’).

Adviezen en instructies

Er zijn verschillende situaties die uw bloedsuiker kunnen doen wijzigen, bijvoorbeeld:
  • vergeten van insuline te geven bij het eten (maaltijdbolus)
  • douchen of in bad gaan
  • barst in de pomp
  • sporten en lichamelijke inspanning
  • vrijen
  • zwemmen
  • vakantie
  • strand
  • sauna
  • alcohol
Tijdens de vervolgafspraken met de diabetesverpleegkundige bespreekt u ook deze verschillende situaties. U kijkt samen wat invloed heeft op de waarde van uw bloedsuiker. Hier kunt u de informatie nog eens rustig nalezen.

Bent u vergeten insuline te geven bij het eten (maaltijdbolus)? Uw diabetesverpleegkundige bespreekt met u wat het beste bij u past. Volg altijd dit advies.

Hieronder leest u wat u kan doen.

Continue subcutane insuline infusie (CSII)

  • Korter dan 60 minuten na het begin van de maaltijd? Geef alsnog de volledige hoeveelheid insuline (maaltijdbolus).
  • Langer dan 60 minuten na het begin van de maaltijd? Geef alleen extra insuline om te corrigeren (correctiebolus). De correctiebolus kunt u berekenen met uw boluscalculator op de pomp.

HCL insulinepomp

  • Korter dan 30 minuten na het begin van de maaltijd? U kunt maximaal de helft van de insuline (maaltijdbolus) geven. Geef niet meer dan 50%, omdat de pomp zelf al extra insuline geeft (basaal).
  • Langer dan 30 minuten na het begin van de maaltijd? Geef alleen extra insuline (correctiebolus) als uw bloedsuiker te hoog is. De correctiebolus kunt u berekenen met uw boluscalculator op de pomp. Geef niet meer insuline dan de pomp aangeeft. Anders kunt u een hypo krijgen.
Tijdens het douchen kunt u de pomp losmaken of in een douchezakje stoppen. Heeft u de pomp langer dan 15 minuten van u af? Zet de pomp dan op pauze. U mag de pomp maximaal 2 uur afhebben.

Barst in de pomp

Zodra er een barst zit in uw pomp is deze niet meer waterdicht. Neem dan contact op met de pompfabrikant.

Beweging heeft invloed op uw bloedsuikerwaarde. Bij duursport gaat uw bloedsuiker vaak omlaag. Bij krachtsport gaat uw bloedsuiker vaak omhoog. Houd dus rekening met de soort sport. Hieronder vindt u richtlijnen van wat u zou kunnen doen. Uw diabetesverpleegkundige bespreekt met u wat het beste bij u past. Volg altijd dit advies.
  • Controleer altijd uw bloedsuiker voordat u gaat sporten. Het liefst is uw bloedsuiker voor het sporten is tussen de 7.0 en 10.0 mmol/l.
  • Ga niet sporten als uw bloedsuiker lager is dan 5 mmol/l of hoger is dan 15 mmol/l.
  • U kunt met uw diabetesverpleegkundige bespreken of u uw pomp tijdens het sporten tijdelijk op een lagere basaalstand kunt zetten.
  • Bent u klaar bent met sporten? Uw bloedsuiker kan nog steeds veranderen tot 12 uur na het sporten.

CSII insulinepomp

  • Sporten vóór een maaltijd: zet uw basaalstand op bijvoorbeeld 50% vanaf 1 of 2 uur voor het sporten, tot 1 tot 2 uur na het sporten.
  • Sporten binnen 2 uur na een maaltijd: neem een halve maaltijdbolus.

HCL insulinepomp

  • 90 tot 120 minuten vóór het sporten: zet uw pomp in sportmodus. Hierdoor wordt er tijdelijk een hogere streefwaarde ingesteld.
  • Langdurige inspanning binnen 3 uur na de maaltijd: verlaag uw maaltijdbolus met 25 tot 75%. Hoeveel u de maaltijdbolus moet verlagen, hangt af:
    • van het type sport
    • hoe zwaar en hoe lang u sport
    • uw conditie, uw huidige bloedsuikerwaarde en hoeveel insuline er nog in uw lichaam zit.
  • Eet geen koolhydraten 15 minuten tot 1 uur vóórdat u gaat sporten. Maar eet wel koolhydraten als u snel een hypo krijgt.
  • Als het nodig is, kunt u tijdens het sporten elke 30 minuten een klein beetje koolhydraten eten, zonder deze door te voeren in de pomp. Daarnaast kunt u ook tijdens het sporten kleine slokjes isotone drank (sportdrank) nemen.
  • Overweeg de eerste maaltijdbolus na het sporten te verlagen met 50%. Of eet een snack voor het slapen gaan zonder deze in te voeren in de pomp.
Dit zijn richtlijnen, voor iedereen is dit anders. Uw diabetesverpleegkundige bespreekt met u wat het beste bij u past.

U kunt alleen zwemmen met een pomp als deze helemaal (100%) waterdicht is. Controleer dit goed voordat u gaat zwemmen. Als uw pomp niet geschikt is om mee te zwemmen, moet u de pomp losmaken en pauzeren. U bespreekt met uw diabetesverpleegkundige wat u moet doen zonder waterdichte pomp.

Gaat u op vakantie? Neem dan minimaal 2 maanden van tevoren contact op met uw diabetesverpleegkundige. We geven u dan advies over:
  • Regelen van een reservepomp (die kunt u zelf aanvragen bij het bedrijf van uw insulinepomp),
  • Voorraad van materialen,
  • Bewaren van insuline tijdens uw reis en op de plek waar u bent op vakantie,
  • Omgaan met tijdverschil tussen de landen.
Denkt u aan een reisverzekering? Vraag aan uw reisverzekering of uw insulinepomp is meeverzekerd of dat u een aparte verzekering moet afsluiten.

Vliegreizen

Voor een vliegreis heeft u een douaneverklaring nodig, speciaal voor pompgebruik. De douaneverklaring vraagt u aan bij uw diabetesverpleegkundige. U doet dit door te:
  • bellen,
  • chatten,
  • mailen,
  • of u vraagt het tijdens uw consult.
Dit moet u elk jaar opnieuw doen, want de douaneverklaring is 1 jaar geldig.

Gaat u naar het strand? U kunt kiezen uit 2 mogelijkheden:

Keuze 1: Maak de pomp los voor maximaal 2 uur. Stop tijdelijk met insuline geven.
Keuze 2: U mag de pomp ook aanhouden.

  • Leg de pomp niet in de zon, want de zon en warmte zorgt ervoor dat de insuline warm wordt en minder goed werkt.
  • Spoel de pomp af en droog deze goed als u weer thuis bent.
In de sauna kunt u de pomp en sensor niet gebruiken.
  • Maak de pomp los en zet hem op pauzeren.
  • Plaats het dopje op de infusieset naald.
  • Maak de pomp niet langer dan 2 uur los.
  • Maakt u de pomp weer vast? Meet dan uw bloedsuiker. Is uw bloedsuiker te hoog? Geef dan een extra bolus die u berekent met de boluscalculator.
Alcohol verlaagt vaak uw bloedsuiker, maar vaak pas na een paar uur. Dit hangt af van het soort alcohol en wat u erbij drinkt, zoals bij mixdrankjes. Meet daarom regelmatig uw bloedsuiker. Hieronder vindt u richtlijnen van wat u kunt doen. Uw diabetesverpleegkundige bespreekt samen met u wat het beste bij u past. Volg altijd dit advies.

CSII insulinepomp

  • Minimaal 2 uur vóórdat u alcohol drinkt: verlaag de basaalstand naar bijvoorbeeld 60-70%. Bijvoorbeeld als u om 20.00 uur een drankje wilt nemen dan zet u de pomp om 18.00 uur lager.
  • Let op! 1 eenheid alcohol is een klein glas (ongeveer 250 ml bier, 125 ml wijn, of 30 ml sterke drank). Dus met 1 drankje of 1 blikje bier zit u al snel op 1,5 (en soms ook 2) eenheden.
  • Voor elke eenheid alcohol die u gebruikt verlaagt u de basaalstand voor 2 uur naar bijvoorbeeld 60-70%. Dus als u 2 eenheden alcohol nuttigt dan zet u de basaalstand 4 uur lang op 60-70%. Bijvoorbeeld als u een halve liter bier neemt (2 eenheden) om 20.00 uur, dan zet u de pomp lager van 18.00 tot 22.00 uur.
  • Vaak is het goed om de basaalstand de hele nacht te verlagen naar 60-70% zodat u geen hypo’s krijgt.
  • Eet ook koolhydraten als dat nodig is. Zo wordt uw bloedsuiker niet te laag. U geeft dan geen extra bolus voor deze koolhydraten.

HCL insulinepomp

  • Minimaal 2 uur vóórdat u alcohol drinkt: verhoog de streefwaarde. Zo zal uw pomp minder insuline toedienen. Bijvoorbeeld als u om 20.00 uur een drankje wilt nemen dan verhoogt u uw streefwaarde om 18.00 uur.
  • Vaak is het goed om deze tijdelijke hogere streefwaarde de hele nacht aan te laten staan.
  • Extra koolhydraten eten helpt niet bij de HCL insulinepomp. Uw pomp geeft dan juist meer insuline.
(Electro)magnetische straling kan ervoor zorgen dat de pomp minder goed werkt. Het is daarom belangrijk dat uw pomp geen straling krijgt.
  • MRI of CT-scanner: maak de pomp en sensor los voordat u de kamer met scanner ingaat.
  • Röntgenfoto: u kunt de pomp en sensor laten zitten. Zorg wel dat ze uit het stralingsveld zijn, en bedek ze met een loodschort.
  • Kleine ingrepen of operatie: bespreek met uw diabetesverpleegkundige wat u het beste kan doen.
  • Kom niet te dicht bij radarinstallaties of bepaalde ruimtes in elektriciteitscentrales.
  • De controlepoortjes in winkels of op vliegvelden geven geen problemen.


Contact

Algemeen nummer Erasmus MC
  • (010) 704 0704
  • Vraag naar een dienstdoende internist (endocrinoloog).
Poli diabetologie Erasmus MC
  • Bereikbaar: maandag tot en met vrijdag van 08:00u-16:00u
  • 010-7040567 (Bij spoed of vragen die niet kunnen wachten tot de volgende dag)
  • Digizorg chat (bij vragen zonder spoed)
  • poli.diabetologie@erasmusmc.nl (Bij overige vragen zonder spoed)
Krijgt u een melding die u niet kunt oplossen? Vervang dan eerst alle onderdelen. Denk aan de infusieset met het slangetje (canule), de adapter en de batterij of het klepje.

Neem daarna contact op met de pompfirma. U kunt hen dag en nacht bellen (24-uurs dienst) 7 dagen per week.

Heeft u een reservepomp? Gebruik deze dan.
Heeft u geen reservepomp? Stap dan tijdelijk over op insulinepennen. Zorg dat u altijd insulinepennen en een schema bij de hand heeft.

U kunt ook contact opnemen met de diabetespoli.

Controleer of uw pomp verzekerd is voor schade. Kijk ook of u zelf een verzekering moet afsluiten.

Let op: deze folder geeft algemene informatie. Dit vervangt niet het advies van uw arts of diabetesverpleegkundige. Neem bij vragen of zorgen altijd contact op met uw zorgverlener.