M-proteïnediagnostiek met massaspectrometrie
Vanaf maandag 12 oktober 2026 gaat het Klinisch Chemisch Laboratorium van Erasmus MC over op de EXENT-methode voor de detectie, typering en kwantificering van M-proteïnen. EXENT maakt gebruik van MALDI-TOF-massaspectrometrie en herkent een M-proteïne aan zijn unieke moleculaire massa en lading.
Ten opzichte van serumproteïne-elektroforese (SPEP) en immunofixatie (IFE) biedt EXENT een hogere sensitiviteit en specificiteit. Zo kan beter onderscheid worden gemaakt tussen het pathologische M-proteïne en een eventuele therapeutische monoklonaal, zoals daratumumab en isatuximab. Ook van het fenomeen dat M-proteïnen niet goed kwantificeerbaar zijn (als ze buiten de gammafractie migreren of sterk polymeriseren) hebben we geen last meer. Bovendien heeft de EXENT-analyse een significante snellere terugrapportagetijd dan de semi-manuele SPEP/IFE.
Wat betekent dit voor de follow-up?
Gedurende de eerste zes maanden geldt een overgangsperiode. Bij bestaande patiënten wordt eenmalig zowel met de conventionele methode als met EXENT gemeten. Dit is nodig omdat de kwantitatieve resultaten van beide methoden niet exact overeenkomen. Hiermee wordt een nieuw EXENT-setpoint vastgesteld; daarna wordt de patiënt uitsluitend met EXENT vervolgd. Nieuwe patiënten worden direct met EXENT onderzocht en vervolgd.
Rapportage in HIX
In HiX worden de EXENT-resultaten getoond met de aanduiding ‘massaspectrometrie’ terwijl de SPEP/IFE-resultaten worden aangeduid met ‘immunofixatie’. De uitslag ‘GB’ betekent dat we geen monoklonaal eiwit hebben kunnen detecteren. Deze tekst staat als opmerking vermeld. Monoklonalen kleiner dan 1 g/L worden gerapporteerd als ‘<1 g/L’. Voor follow up is deze cut-off <0,2 g/L). Deze afkapgrenzen zijn gekozen omdat deze gelijk zijn aan de gevoeligheidsgrens van de SPEP (1 g/L) en de IFE (0,2 g/L). Enkele rapportagevoorbeelden zijn hieronder weergegeven.
Oorspronkelijk M-proteïne
Het oorspronkelijke M-proteïne (type monoklonale immunoglobuline bij diagnose) zullen we altijd meerapporteren. Indien er een extra band zichtbaar is naast de oorspronkelijke M-proteïne (bv als tijdelijke subkloon) zullen wij deze meerapporteren indien deze groter is dan 1 g/L. Bij meer dan één extra band zullen wij rapporteren ‘oligoklonaal beeld’.


Voor vragen bij de interpretatie van de resultaten kunt u contact opnemen met Dr. Henk Russcher (klinisch chemicus: aandachtsgebied o.a. plasmaceldyscrasieën, 06-18638338) of met het laboratorium Klinische Chemie (eiwitchemie, 010-7036626).