Als er aanwijzingen zijn voor heupdysplasie, zal er een echo van de heupen worden gemaakt. Op een echo is te beoordelen of de heupkom diep genoeg is en/of ze een mooie vorm heeft. Bij een afwijkende echo wordt uw kind doorgestuurd naar de kinderorthopedisch chirurg voor verdere behandeling en controle.
De kinderorthopedisch chirurg zal de heupen van uw kind onderzoeken. Hierbij let de chirurg vooral op de aanwezigheid van een beenlengteverschil, de beweeglijkheid van de heupen en op de stabiliteit van de heupen in de kom.
Bij een leeftijd boven de 7-8 maanden is een echo niet meer betrouwbaar. De diagnose wordt dan gesteld op basis van een röntgenfoto.
Heupdysplasie is over het algemeen goed te behandelen. Hoe makkelijk of moeilijk dit gaat, is per geval verschillend.
Bij milde heupdysplasie bestaat de behandeling vaak uit door af te wachten en de ontwikkeling van de heupen goed in de gaten te houden met een echo.
Als de heupdysplasie ernstiger is, wordt er vaak gestart met een spreidbehandeling. Het doel van de behandeling is om ervoor te zorgen dat de heup weer stabiel, midden in de kom, komt te staan. Door de druk van de kop in het kom wordt de ontwikkeling van de kom gestimuleerd.
De meest gebruikte spreidmiddelen zijn de Pavlik-bandage (figuur 2), de Campspreider (figuur 3) en de dr. Visser-beugel.
Figuur 2: Pavlik Bandage
Figuur 3: Campspreider
De spreidmiddelen moeten over het algemeen 23 uur per dag gedragen worden en mogen worden afgedaan bij aankleden en in bad gaan. Na 1 - 2 weken komt het kind meestal terug op de polikliniek voor controle van de spreider. Na 6 weken wordt meestal een nieuwe echo of foto gemaakt om te kijken wat het resultaat is van de behandeling.
De behandeling hoort geen pijn te doen, maar kinderen kunnen de eerste dagen van de behandeling wel wat huilerig zijn. Ook kan het zijn dat ze de eerste dagen het beentje wat minder bewegen. Als het kind niet meer actief het knietje strekt, moet u de spreider uit doen tot het knietje wel weer gestrekt wordt.
Bij heupluxatie kan die in ongeveer de helft van de gevallen weer in de kom gebracht worden met behulp van de Pavlik-bandage. Mocht dit na een aantal weken niet zijn gelukt, dan wordt er onder narcose gekeken of de heup in de kom wil. Als dit makkelijk gaat, wordt de heup in de meest gunstige positie vastgehouden met een gipsbroek (figuur 4) gedurende drie maanden. Als de heup niet in de kom wil of makkelijk uit de kom gaat, is soms een operatie nodig om de heup in de kom te krijgen en te houden.
In enkele gevallen wordt er tractie gegeven, voordat er een operatie plaatsvindt. Nadat uw kind uit de gipsbroek komt wordt er vaak nog een spreidt voorziening voor vier tot zes weken voorgeschreven.
Figuur 4: Gipsbroek
Tijdens de behandeling heeft u intensief contact met uw arts, de kinderorthopedisch chirurg. Tevens zal u andere hulpverleners treffen, afhankelijk van de behandeling die voor uw kind noodzakelijk is.
Op onze polikliniek zijn dat de arts-assistent (basisarts in opleiding tot orthopedisch chirurg), fellow kinderorthopedie (orthopedisch chirurg in opleiding tot kinderorthopedisch chirurg), gipsverbandmeester en polikliniek medewerkster.
Tijdens een opname op de afdeling zijn ook de verpleegkundigen en pedagogisch medewerkers betrokken bij u en uw kind. Vooraf en tijdens de operatie wordt uw kind begeleid door de anesthesist (arts die voor de narcose en pijnstilling verzorgt) en het operatieteam.